European Media Partner

Vloeibare biopsie: de stille revolutie in de behandeling van kanker

Artsen passen een nieuwe techniek toe in de behandeling van kanker, maar deskundigen waarschuwen voor een belangrijke valkuil die moet worden vermeden.

De opsporing en behandeling van kanker heeft de afgelopen jaren een stille revolutie doorgemaakt. Steeds meer oncologen gaan over van het testen op tumoren in menselijk weefsel, dat operatief bij patiënten is verwijderd, naar het testen van hun bloed, urine of andere biovloeistoffen die veel gemakkelijker - en minder pijnlijk - te verkrijgen zijn. Artsen erkennen dat zogenaamde vloeibare biopsie hen kan helpen beter en sneller te screenen op tekenen van kanker, behandelingen te kiezen en te controleren, en te controleren op het terugkomen van de ziekte. Maar deskundigen vrezen dat ze een valkuil over het hoofd zien als ze deze nieuwe techniek omarmen.


“Eén ding dat we in de gaten moeten houden bij vloeibare biopsie is dat het moleculaire profiel van klinische monsters drastisch kan veranderen tijdens de pre-analytische workflow, waarbij de patiëntenmonsters betrokken zijn”, zegt Uwe Oelmueller, een expert op het gebied van in-vitro testen van menselijke monsters bij QIAGEN, een in Venlo gevestigde marktleider op het gebied van moleculaire diagnostiek. “Helaas kan dit diagnostiek of onderzoeksresultaten onbetrouwbaar of ongeldig maken, waardoor artsen de verkeerde beslissingen kunnen nemen over het wel of niet behandelen van een patiënt.” 


Het probleem is dat de twee populairste biomarkers die bij vloeibare biopsie worden gebruikt - meetbare indicatoren voor de aanwezigheid en ernst van een ziekte - kunnen degraderen of anderszins kunnen veranderen zodra ze het lichaam van een patiënt verlaten. Het transporteren, opslaan of archiveren van een bloedmonster, of het isoleren van moleculen die het bevat, kan de uiterst belangrijke circulerende tumorcellen (CTC’s) en circulerend celvrij tumor-DNA (ctDNA) waarop de meeste vloeibare biopsieën zijn gebaseerd, veranderen. Een voor de hand liggend gevaar is dat het testen van een verkeerd behandeld monster niet de rode alarmbellen doet rinkelen die zouden moeten gaan rinkelen, en er ten onrechte een schone verklaring van gezondheid gegeven wordt. Of dat deze test juist leidt tot een vals-positief resultaat en een onnodige behandeling.  


“In de begindagen van vloeibare biopsie werd terecht veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de analytische laboratoriumtests voor kankerdetectie”, zegt Oelmuller.  “Maar we realiseerden ons al snel dat een ander doorslaggevend aspect van in-vitro diagnostiek de standaardisatie en verbetering van preanalytische processen was, en het ontwikkelen van tools voor het veiligstellen van goede kwaliteit patiënten specimens voor routine in-vitro diagnostiek.” Als gevolg daarvan kwamen onderzoeksinstellingen en diagnostiekbedrijven uit heel Europa samen om het probleem op te lossen. 


Het door de EU gefinancierde project Standardisation of generic Pre-analytical Procedures for In vitro Diagnostics (SPIDIA*) en het vervolgprogramma Standardisation of generic Pre-analytical Procedures for In vitro DIAgnostics for Personalised Medicine (SPIDIA4P*) hebben nieuwe technologieën en instrumenten ontwikkeld voor het veiligstellen van patiëntenmonsters van goede kwaliteit en hebben nieuwe evidence-based Europese en internationale normen vastgesteld voor betrouwbare pre-analytische workflows. SPIDIA4P wordt gesteund door 19 universiteiten en bedrijven uit tien Europese landen, waaronder QIAGEN en monsterspecialist PreAnalytiX, dat in de buurt van Zürich is gevestigd. 


De projectpartners zijn allen leiders op hun gebied, publiceren onderzoeksresultaten in vooraanstaande tijdschriften en vinden belangrijke producten uit voor de medische en wetenschappelijke gemeenschap. Hun samenwerking betreft niet alleen de cruciale pre-analytische stappen zoals staalafname, bewaring, opslag, transport of verwerking in gepersonaliseerde geneeskunde. Er worden ook normen vastgesteld en beste praktijken voor toekomstig onderzoek gewaarborgd. Het resultaat lijkt een betere pre-analytische workflow te kunnen garanderen bij de ontdekking en ontwikkeling van nieuwe biomarkers.


“Er zijn verschillende bestaande klinische toepassingen van de vloeibare biopsie en er worden er nog veel meer onderzocht die hun weg vinden naar de diagnostiek”, zegt Abhishek Sharma, een liquid-biopsy commercialiseringsexpert voor PreAnalytiX. “De meest geavanceerde is niet-invasieve prenatale testen (NIPT), waarbij circulerend celvrij foetaal DNA wordt geëxtraheerd uit het bloed van de moeder om het risico dat de foetus geboren zal worden met ernstige genetische afwijkingen te bepalen. In kankeronderzoek zijn er steeds meer commerciële tests beschikbaar voor CTC’s en ctDNA, maar ook nieuwere voor circulerend celvrij RNA (ccfRNA) of exosomen.” 


Onderzoek begint de laatste tijd de beperkingen van een te grote focus op CTC’s en ctDNA aan het licht te brengen - en het potentieel van nieuwe biomarkers. Wetenschappers bevelen nu meer benaderingen aan waarbij het traditionele duo van biomarkers wordt gecombineerd met andere, vaak recenter geïdentificeerde biomarkers. “De biomarkers CTC en ctDNA zijn goede benaderingen voor de vroege opsporing van kanker, maar er zijn ook andere belangrijke technieken op komst”, zegt Sharma. “Dit zijn grote vorderingen en betere pre-analytics hebben deze helpen aandrijven.”


Uit onderzoek dat werd gepresenteerd op de AACR Advances in Liquid Biopsies Meeting van 2020 blijkt dat 89 procent van de patiënten bij wie kanker in een vroeg stadium wordt ontdekt, nog minstens 5 jaar leven, terwijl slechts 21 procent van de patiënten bij wie kanker in een laat stadium wordt ontdekt, zo lang overleeft. Een van de redenen hiervoor is, zoals Sharma aangeeft, dat de screening nog steeds fragmentarisch is: slechts 60 procent van de mensen die regelmatig een colonoscopie zouden moeten ondergaan en slechts vijf procent van de mensen die hun longen zouden moeten laten screenen met een low-dose CT-scan, doen dat ook. “Er is dus een enorm potentieel voor vloeibare biopsie”, zegt Sharma. “Als we leren hoe we de monsters correct kunnen behandelen.”


* The SPIDIA project has received funding under the Seventh Research Framework Programme of the European Union, FP7-HEALTH-2007-1.2.5, under grant agreement no. 222916. The SPIDIA4P project receives funding from the European Union´s Horizon 2020 research and innovation programme under grant agreement no. 733112.


Delen

Journalist

Féline van der Linde

Related articles