European Media Partner
Henk Flipsen, directeur van Nevedi MILIEU

Duurzaamheid als marktconcept

Bij haar aantreden kondigde landbouwminister Carola Schouten al een circulaire landbouw aan. ‘De hele wereld zit te wachten op duurzaamheid, gekoppeld aan de hoge opbrengsten in Nederland.’ Een kringlooplandbouw is essentieel. Volgens Henk Flipsen, directeur van de belangenorganisatie voor de Nederlandse Vereniging voor Diervoeder Industrie (Nevedi), is de export juist essentieel als we een kringlooplandbouw willen. De import van soja uit Latijns-Amerika hoort daar bij. “Want dat is het beste voor het klimaat in de wereld.”

En de landbouw kan zeker nog duurzamer. “We hebben een efficiënt voedselsysteem, als we tegen grenzen aanlopen, dan kunnen we dat technisch oplossen.” De oplossing voor verduurzaming ligt bij de markt. Wanneer de consument meer geld over heeft voor duurzame producten en supermarkt, boer en alle partijen in de keten maken duidelijke afspraken die ze ook nakomen, dan is dat volgens Flipsen een prima model voor de toekomstige verduurzaming van onze landbouw.


Duizenden tractoren in Den Haag. Aanleiding was kamerlid Tjeerd de Groot van D66 die riep dat de veestapel gehalveerd moet worden. Het stikstofdossier werd gepresenteerd als het zoveelste bewijs dat Nederland te veel dieren telt. Loopt de Nederlandse landbouw tegen zijn grenzen aan?


Zijn er werkelijk te veel dieren in Nederland?

Flipsen reageert verontwaardigd: “Als je vindt dat Nederland te klein is en dat hier geen dieren horen, dan sla je elke discussie dood. Als je zegt: we hebben maar 30 procent nodig van wat we produceren, dan begrijp je weinig van het voedselproductiesysteem waarbinnen plant, dier, bodem en mens met elkaar verbonden zijn. Tegen een schoenmaker zeg je ook niet: ‘Er zijn al genoeg schoenen. Haal de helft van je schoenen maar uit de winkel.’ Die schoenmaker wordt het ondernemen onmogelijk gemaakt en hij heeft vanzelf geen opvolger. Er is een economische samenhang tussen het Nederlandse voedselproductiesysteem en het aantal dieren. Het is heel makkelijk om daar zonder nadenken of zonder verstand van zaken tegenin te gaan.”


Kunt u het Nederlandse productiemodel eenvoudig uitleggen voor hen die het echt niet begrijpen?

“Het aantal dieren is een gevolg van ondernemerskeuzes die gemaakt worden op basis van wettelijke kaders die de sector wel of geen bestaansrecht geven. We hebben een efficiënt voedselsysteem, als we tegen grenzen aanlopen, dan kunnen we dat technisch oplossen.”

“Het is maatwerk. Per bedrijf moet je kijken naar stalsysteem, bodemgebruik, grondstoffengebruik en management. Als je emissies meetbaar maakt, kun je passende maatregelen nemen. En alle technologie die bij duurzame oplossingen komt kijken, is ook een handelskans voor Nederland. Nederland is een handelsland, dat afhankelijk is van de export. 70 procent van de agrarische productie gaat de grens over. En dat zijn veelal producten met toegevoegde waarde. Dus geen hele dieren, maar vooral vleesproducten en delen van dieren. Niet alleen kilo’s melk, maar kaas, boter… Er is een veelvoud van producten die we exporteren.”


Maar nu wil Carola Schouten een circulaire landbouw. Conflicteert dat niet met het exportmodel?

“Nee, de export staat juist aan de basis van de circulaire landbouw. De productie is gelinkt aan de bodem, waar die bodem zich ook bevindt. Maar de productie is ook gelinkt aan de consument die producten wil van over de hele wereld. Zo krijgen we automatisch een internationaal model. Wij hebben dan ook de kringloopvisie omarmd. De kringloop moet zo klein zijn als mogelijk en zo groot als nodig.”


De veevoederindustrie is een grote importeur van soja. Die heeft dus wel wat uit te leggen.

“Wij zijn al een duurzame sector. Meer dan de helft van onze grondstoffen komen als co-producten uit de humane voedingssector. Maar het klopt dat we plantaardige eiwitten importeren van buiten Europa. "Om het aandeel van grondstoffen uit de eigen regio te vergroten, hebben de belangrijkste veehouderijsectoren programma’s om meer plantaardig eiwit van regionale herkomst te gebruiken, maar die moeten wel voorhanden zijn én ze moeten economisch en klimaattechnisch minstens gelijkwaardig zijn aan importgrondstoffen. Zoals sojameel.”

Deze eiwittransitie is nog lang niet afgerond. Veredeling en teeltontwikkeling van Europese eiwitgewassen hebben tientallen jaren stil gestaan, voor akkerbouwers zijn het nog geen winstgevende gewassen. Opbrengst en kwaliteit zijn nog te mager om te kunnen concurreren met importgrondstoffen.

Ook voor dierlijke sectoren geldt dat producten aan bepaalde voedereisen moeten voldoen, stelt Flipsen. “Zo niet, dan moeten we dus grondstoffen als soja importeren. Als die import klimaattechnisch beter uit kan en de akkerbouwer kan onder de klimaateisen hier beter een ander gewas produceren, dan is dat voorlopig het model. De soja die we importeren is het meest efficiënt. De komende decennia blijft Europa dus soja importeren, omdat dat het beste is voor het klimaat.”


Is een duurzame landbouw wel te combineren met een economisch landbouwmodel?

“Als er een markt voor is, is alles mogelijk. Stel: iemand wil groene eieren. En hij wil daar een euro per stuk voor betalen. Dan gaat de pluimveesector groene eieren produceren, als dat voor die euro uit kan. Dat is het economisch model achter alle marktconcepten.”

“Maar dan moet je niet ineens, als de groene eieren op de markt zijn, je afspraken niet nakomen en de boer met de groene eieren laten zitten en goedkope import-eieren kopen, zoals in de praktijk vaker is gebeurd.” Flipsen kent een varkensboer die voldoet aan alle eisen voor twee sterren voor het Beter Leven-keurmerk, maar vervolgens staakt de winkel de verkoop. ‘Zie je vlees maar kwijt te raken op de reguliere markt’, kreeg hij te horen.

Gelukkig zijn er ook voorbeelden van concepten waar het wel lukt. “Wanneer een supermarkt samenwerkt met boeren en duidelijke afspraken maakt met ketenpartijen kan dit een prima model zijn voor de toekomstige verduurzaming van onze landbouw.”

Delen

Journalist

Marc van der Sterren

Related articles