European Media Partner

‘De kracht van de sector zit hem vooral in de verbinding tussen alle partijen’

Trots. Dat gevoel overheerst bij Clémence Ross-van Dorp, gevraagd naar haar ervaringen als ambassadeur van het Actieprogramma Nieuwe Kansen voor de Topsector Life Sciences & Health. “Het blijft een leerproces, maar als je dan vraagt of de sector zich bewezen heeft op een aantal fronten, dan is mijn antwoord: zeker.”

‘Als je kijkt naar hoe we er bij ons is samengewerkt tussen academische ziekenhuizen, onderzoekscentra, het bedrijfsleven, de Rijksoverheid, patiëntenorganisaties: dat is ongekend.’

‘Eigenlijk moet de manier waarop we nu hebben samengewerkt en in actie zijn gekomen een werkwijze worden die constant aanwezig is’

Wanneer je op 1 januari 2020 wordt aangesteld als ambassadeur van het Actieprogramma Nieuwe Kansen voor de Topsector Life Sciences & Health met als focus nieuwe kansen, dan kan je rustig zeggen dat je met de neus in de boter valt. Want die kansen voor de sector om zich te bewijzen kwamen er in de maanden die op haar aanstelling volgden, om maar eens met een understatement te beginnen. Als Clémence Ross-van Dorp, om wie het hier draait, wordt gevraagd naar wat nu de grootste kansen waren, dan is ze duidelijk: de kans om te laten zien dat Nederlandse kracht van de sector ‘m vooral zit in de verbinding tussen alle partijen. “En die kans heeft de sector met beide handen gegrepen. Als je kijkt naar hoe we er bij ons is samengewerkt tussen academische ziekenhuizen, onderzoekscentra, het bedrijfsleven, de Rijksoverheid, patiëntenorganisaties: dat is ongekend. Dat is ons succesverhaal.” En waar er volgens Ross-van Dorp pré corona af en toe nog wat partijen buitenspel stonden, met name de industrie en het bedrijfsleven, doen die nu ook volop mee in het samenspel. Van groot belang, aldus de ambassadeur, die graag een vergelijking maakt met voetbal. “Je kan niet een teamlid dat per definitie onderdeel uitmaakt van het totale team buitensluiten. Om succes te bewerkstelligen moet je die ook de bal toe blijven spelen, moet die ook bij de tactiek betrokken zijn. En moet je die zeker niet buitenspel zetten. Daar heeft de pandemie enorm aan bijgedragen. Aan dat besef.”


Hoe merkt u dat?

“Dat er zonder industrie nooit een vaccinontwikkeling in deze snelheid zou zijn gekomen, dat mag wel duidelijk zijn. Natuurlijk wist ik wel dat we een fantastisch vaccincentrum in Bilthoven hebben staan, maar veel mensen waren dat al bijna weer vergeten. Terwijl ze daar het poliovaccin voor de hele wereld geproduceerd wordt. En de industrie is daar ook bezig met een neusspray ter bestrijding van corona. Door de pandemie zijn we ons er weer bewust hoe belangrijk het is om goed voorbereid te zijn.”


In hoeverre raakt het negatieve stigma u dat er toch ontstaan is bij de Nederlander over de sector?

“Stigmatiseren is nooit goed, want dan stopt de dialoog. Om oplossingen te kunnen vinden in tijden van crises heb je elkaar hard nodig. Maar de pandemie heeft ons allemaal, ook de Life Sciences & Health-sector, overvallen. Dat is niet goed, we hadden voorbereid moeten zijn.” 


Maar de farmaceutische sector krijgt daar meer over te horen dan andere sectoren.

“Ja, maar aan de andere kant: dat imago is door de snelheid waarmee nu vaccins zijn ontwikkeld deels bijgesteld. Ik denk dat het de meeste mensen nu wel duidelijk is dat het ontwikkelen van een vaccin normaal gesproken veel langer duurt. En dat het dus wel echt geweldig is dat het gelukt is om vaccins te maken in zo’n korte tijd. De pandemie heeft ertoe geleid dat de farmaceutische industrie als onderdeel van oplossingen wordt gezien. Er is samenwerking tot stand gekomen langs de lijnen van een gezamenlijke agenda: het bestrijden van het virus. Dat is binnen de sector niet altijd zo geweest. Twee jaar geleden, net na mijn aantreden, sprak ik een farmaceut die mij vroeg: ‘Maar bent u dan ook onze ambassadeur?’ Die gedachte, dat ze sowieso buitenspel zouden staan, dat verraste mij, dat raakte mij. Ik had daar helemaal niet bij stilgestaan omdat ik iedereen in de sector zie als een onderdeel van alles dat we nodig hebben in dit land.”


Heeft de sector zich bewezen?

“De sector is zich nog steeds aan het bewijzen, het blijft een heel dynamisch leerproces.  Maar als je vraagt of de sector zich in deze crisis bewezen heeft, dan is mijn antwoord: zeker. Dan denk ik aan de snelheid en onorthodoxe manieren waarmee de partijen tot oplossingen zijn gekomen. Neem bijvoorbeeld het delen van data. Dat werd eerder als problematisch ervaren, maar wordt nu gewoon gedaan. En zo zijn er nog meer voorbeelden, maar eigenlijk zitten we nog midden in de rollercoaster, en kunnen we nog niet echt rustig terugkijken.”


Waar liggen de kansen voor de topsector?

We moeten die samenwerking verder doorzetten en niet laten verslappen. Ook internationaal, want corona heeft ons wel geleerd dat de wereld alleen in verbondenheid een pandemie kan keren. Daarnaast moeten we onze positie als hub verder uitbreiden. Nederland staat internationaal bekend om het hoge niveau van onderzoek en innovaties en om de prima zorg. We zijn als klein land een metropolis in Europa, een beetje onorthodox en niet al te hiërarchisch denkend land met een goed verbonden Life, Sciences & Health ecosysteem en dat moeten we koesteren. Voor de verdere ontwikkeling van onze gezondheidszorg en onze economie is het belangrijk om ons te presenteren als het land in Europa bij uitstek waar je innovaties kunt ontwikkelen en snel bij de patiënt en op de markt kunt krijgen.”


Zijn we beter voorbereid op een eventuele volgende pandemie?

“Absoluut, maar we moeten wel paraat blijven. Achteroverleunen, dat kunnen we ons niet permitteren. Eigenlijk moet de manier waarop we nu hebben samengewerkt en in actie zijn gekomen een werkwijze worden die constant aanwezig is. Een werkwijze waarvan je op zoek gaat naar de volgende uitdaging en niet alleen kijkt naar de pandemie die nu heerst, maar naar meer vraagstukken waar wij als sector iets aan bij kunnen dragen. Pas dan zijn we in de positie om elke volgende uitdaging aan te kunnen gaan.”


Tot slot: als u één voorstel mag doen aan het nieuwe kabinet om dit voor elkaar te krijgen, wat zou dat dan zijn? 

“Ik zou zeggen: ontwikkel met de vier meest betrokken departementen, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in samenspraak met de partijen uit het Life Sciences & Health veld een gezamenlijke visie en beleidsagenda voor de sector. Maak duidelijke afspraken met het veld, en formuleer heldere resultaten voor de middellange en lange termijn. Het Actieprogramma dat er ligt, biedt daar een goede basis voor. Op die manier zijn we niet alleen beter voorbereid op een pandemie, maar blijven we voortdurend werken aan betere, effectievere en betaalbare innovaties.”

Feit

Clémence Ross-van Dorp is ambassadeur van het Actieprogramma Nieuwe Kansen voor de Topsector Life Sciences & Health. Daarnaast is ze voorzitter van de Long Alliantie Nederland. Ook is ze bestuurder bij de Stichting Agora en toezichthouder bij het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie. Ross-Van Dorp was van 2002 tot 2007 staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Delen

Journalist

Jerry Huinder

Related articles